Le Soir, 30 mars 1934, Goldschmidt et le diamant noir

Robert Goldschmidt werd geïnterviewd door “Le Soir” twintig jaar na de fameuze radioconcerten van 28 maart 1914. Hij vertelt hoe de gebeurtenis overkwam in de koptelefoons van al die radioamateurs die nog niets anders te horen kregen dan die “dots en “dats” van het morse-alfabet. Hij vergelijkt het met de bestseller van H.G. Wells, “the war of the Worlds”. Wat hij toen nog niet wist is dat Orson Welles vier jaar later Amerika doen daveren heeft met zijn radiothriller over the war of the worlds die hij geloofwaardig en angstaanjagensd presenteerde in de vorm van nieuwsberichten. Zijn hoorspel heeft toen een massahysterie veroorzaakt.

Le diamant noir

Op de vraag aan Goldschmidt of hij nog enkele persoonlijke bedenkingen  kon toevoegen aan de communicatie van het N.I.R., wou hij de  zangeres noemen die vrijwillig optrad tijdens de uitgezonden concerten. Maar hij was haar naam vergeten en zei dat ze zichzelf misschien zou herkennen in zijn volgend verhaal:

[…] Op dat moment was er een Frans regisseur, oud-officier van de Spahis [1] met de naam Machin, die ons vroeg hem te helpen bij het maken van een film waarbij de T.S.F.- installaties van de villa Lacoste zouden gebruikt worden. De zwarte leerlingen die de lessen op de school volgden, voorzien om hen voor te bereiden op de radiotelegrafische dienst van Kongo, zouden ook voor de film aangenomen worden.  Deze zwarten waren schitterend. Ze leerden het morse-alfabet met een wonderlijk gemak. Een van hen was graag artiest geweest in de film, maar ik antwoordde hem dat ik het toestond wanneer hij het morsealfabet kon lezen.

Ik dacht dat dit wel 3 weken zou duren, maar de volgende avond was hij al klaar!

“Met 4 zwarten en 12 zwartgeverfde blanken kunnen we de film draaien”, had de heer Machin me verteld […]

De film heet “Le Diamant noir”. In het kort het verhaal: de diamant van de dochter van de baron is zoek geraakt. Haar vriend wordt van diefstal verdacht en verlaat zeer aangedaan het land. Hij beleeft heldhaftige avonturen in Kongo (gefilmd in het Zoniënwoud…). Ondertussen wordt in het kasteel van de baron de dader van de diefstal gevonden, die een ekster blijkt te zijn. De vriend moet dus wel verwittigd en teruggeroepen worden. En nu komt het: hiervoor moet naar Kongo getelegrafeerd worden. De villa Lacoste zal dienen als telegraafkantoor.

De film werd aangekondigd in Ciné-Journal n° 274 van 22 november 1913. De radiotelegrafische verbinding met Kongo was dus al uitgevoerd, de heer Machin zal dat geweten hebben. Maar rond de radiotelegrafie zweefde nog een waas van geheimzinnigheid: men mag niet uit het oog verliezen dat  de elektriciteit buiten de steden slechts haar intrede  deed begin jaren twintig. De volksmens had er in 1913 veelal nog niet van gehoord. Laat staan van de radiotelegrafie! “Le Diamant noir” was dus de “Avatar” van het ogenblik.

En toch werd dit de voorbije 100 jaar nog niet uitgepluisd! Collega Guido Nys heeft dit wel onderzocht en we kwamen bij Cinematek terecht op filmbeelden van de binnenzijde van de villa Lacoste, met zicht op de werkende toestellen, zoals het starten van de motor, het zenden van een bericht door de marconist, de hieruit voortvloeiende bliksemflitsen van de vonkenbrug.
Dit is een unieke vondst voor de geschiedenis van de Belgische radiotelegrafie. Gelijkaardige beelden zijn er in de wereld niet veel te rapen!
Wij wilden de lezer hiervan een stukje laten meegenieten. Gezien de hoge kosten hebben wij ons beperkt tot 120 seconden uit de film. U kan deze bewonderen op de CD achteraan in het boek. De hele film is te bekijken op afspraak bij Cinematek te Brussel of op internet.


[1]  Tijdens hun veroveringen hadden de Fransen inheemse of buitenlandse ruiters in dienst, de Spahis (bv Turken, Tunesiërs, Algerijnen).